|
.
Steenfabriek "de Brekeld" Baan & ten Hove
Rijssen
|

Op deze pagina willen wij
verhalen plaatsen over de prachtige tijd die wij en anderen mochten
meemaken op en in de buurt van het tichelwoark, de Hoch, of als
passagiers van het leemtreintje.
Alle verhalen zijn welkom en we willen deze dan met uw toestemming
plaatsen op deze pagina. |
HISTORISCHE VERHALEN
door:
Hendrikus ten Hove (Dieks van Jaejsdina)
Rijssen,
19 april 2007.
Mijn
naam is Hendrikus ten Hove (Dieks van Jaejsdina).
Ik ben de zoon van Getjan van Banis en kleinzoon van Jacobus ten
Hove (Klitsenkoops).
.
Van
mijn grootvader (Klitsenkoops) is aan mij, door mijn vader,
verteld dat toen hij eens helemaal alleen op zijn steenfabriek was,
zijn vrouw (Jaejsdina) mijn grootmoeder tegen haar dochters
zei "Ga je vader opzoeken, want het wordt zwaar weer. Hij is daar
helemaal alleen op het tichelwoark". U moet weten dat
Klitsenkoops ouderling was in de Oud-Gereformeerde Kerk in Rijssen.
Zo gezegd, zo gedaan. Maar wat schets de verbazing? Toen de zussen
dicht bij de steenfabriek kwamen, hoorden ze iemand luid zingen: "Hij
die op Gods bescherming wacht, Wordt door den hoogsten Koning,
Beveiligd in den duist'ren nacht".
Toen de dochters
van Jaejsdina dit hoorden zeiden ze tegen elkaar "Ach, laten we maar
teruggaan. Vader is niet alleen zoals onze moeder dacht".
.
Ikzelf ging vaak
als kleine jongen mee met mijn vader naar het tichelwoark als hij
moest 'stoken'. Ik mocht dan op de turf slapen. Alleen dat al
was een hele beleving voor mij.
Met mijn broer 'nKlèinkoops (Jacobus), sliepen we er ook heel
vaak. Totdat het buiten licht werd bleven wij, om dan vandaar uit in
de vroege ochtend te gaan vissen.
In
die tijd sliepen wij in de paardenstal naast de paarden. Deze waren
echter door een tussenmuurtje gescheiden van elkaar, maar als ze
elkaar toch met de hoofden konden raken ('nRoe en 'nMerre), dan
schrok ik mij wild. Zo'n gigantisch kabaal kwam er dan.
.
Als ik vroeger
met mijn ouders in de 'Walkerk' zat, dan kon je tijdens het zingen
van Psalm 68 vers 6, precies horen en zien wie er op het tichelwoark
werkte.
Ik hoor mijn vader nog boven alles en iedereen uit zingen:
"Al
laagt g', o Isrel, als weleer,
Gebukt bij TICHELSTENEN neer,
Toen gij uw juk moest dragen,
En zwart waart door uw dienstbaarheid,
U is een beter lot bereid,
Uw heilzon is aan 't dagen".
.
Van mijn vader
heb ik gehoord, dat in de oorlogsjaren het tichelwoark eens werd
bezocht door de Duitsers.
Op de plas naast de fabriek stond een vrachtwagen die ze wilden
invorderen. Maar de auto had geen wielen. Op de vraag of er
geen banden waren voor deze auto werd ontkennend geantwoord. Toch
ging de Duitse officier met zijn maat in de cabine zitten om te
kijken hoe de auto er van binnen uitzag.
Wat
de soldaten niet wisten was dat er onder de zitting munitie en
geweren verstopt lagen die bestemd waren voor de ondergrondse. Wat
zou er gebeurd zijn als zij die ontdekking gedaan hadden? Ook
tussen de ongebakken stenen lag wapentuig verstopt. Zoals ik mij heb
laten vertellen door mijn vader, waren Arend Baan (Oarnd van
Duusker) en Arend Voortman (Oarnd van Otte van Jaejsdina)
bij de ondergrondse.
|
TREINTJE NOAR DE
HOCH
door:
Aleida van der Kuij-ten Hove
Agassiz,
Britisch Columbia, Canada,
14 april 2007.
Heel
veel herinneringen komen weer boven als ik terugdenk aan de jaren 1948 tot
en met 1952.
In
die tijd maakte ik verschillende ritjes met 'het treintje'.
Vaak met Gerhard Baan
(Garrat van Duusker red.),
maar
later ook met Dik van oom Gerhard ten Hove (Dik van Klitsenkappert
red.), die grotendeels
bij ons thuis is opgegroeid.
Ik herinner me nog heel goed dat we dan vaak op een zomersedag,
samen met onze logees de familie Groeneweg uit Schiedam, naar het
zomerhuisje van Ome Jan Wolters
( de schilder die vroeger in de Tabaksgaarden woonde ) " De Kinne " gingen.
Aliedus
en ik moesten dan eerst voor onze moeder Eule dennenappels zoeken,
die gebruikt werden voor het aanmaakvuurtje voor de fornuispot in de
schuur.
Water moesten we halen op het tichelwerk, bij Aornd van de
Kètse bij de pomp.
Daarna mocht ik dan soms met het treintje mee
naar " De Hoch ".
Soms
mochten we met een ijzeren staaf, ik
geloof met een haak er aan, de wissels verleggen. Dit mochten
we alleen als we meereden met Garrat van Duusker, maar van Dik mocht dat niet. Waarom van hem niet, weet ik
niet meer. Daar zal best wel een goede reden voor geweest zijn.
En ook wel eens met een jongen van de "Scheper" oet de
Vennekesgaarden, bijnaam dus. Het grappige ervan is dat die later
ook nog voor mijn vader gewerkt heeft als chauffeur.

Wat ik heel spannend vond, was als we dan weer terug kwamen op het
tichelwerk en de kiepkarretjes naar boven getrokken werden. Ik kan
me dat geluid nog heel goed voorstellen. Vaak mocht ik dan ook mee
naar de zolder, maar mocht niet te dicht bij het luik gaan staan
waar de karren in kwamen. Dat was te gevaarlijk.
(foto: Dieks van Jewilm
van Kappert en onderaan bij de kipkarren Garrat van Duusker)
Ja, ook
heb ik natuurlijk alle spannende dingen wel zo'n beetje meegemaakt,
al was het niet echt van dichtbij. Vader Dieks, maar iedereen op het
tichelwoark waren best wel
trots op alles. Zeer zeker toen de ringoven kwam. En als ik met goed
herinner, was die oven zó afgesteld dat ze
er op zondag geen kolen bij hoefden te doen. De desbetreffende
werknemer
(stoker)
mocht ook zeer beslist
niet op zondag voor twaalf uur naar het tichelwoark heen om de oven
weer met kolen bij te vullen..
Ja..... toen waren er nog principes. Moet je ze vandaag aan de dag
vertellen.
Groeten aan iedereen die ons kennen of herinneren.
Arij en Aleida van der Kuij-ten Hove (van Dieks van Kappert en
van Eule van Boersgait).
Den e trouwd is met ne kearl oet
Rotterdam.
|
| |
WAAR BLIJFT DE TIJD?
door:
Arjan Baan
Rijssen, 7 april 2007.
De
eens zo majestueuze spar ligt in stukken gezaagd op de scheiding
tussen bos en wat nog rest van het
ons eens zo dierbare tichelwoark.
Jaren geleden deed hij nog dienst als uitkijk, toen wij als stoere
jongens van de lagere school dachten dat boeven en schurken ons wel
eens konden overvallen.
Zat je eenmaal bovenin de top, dan kon je zelfs de stoompijp van de
jutefabriek nog zien, ook al was die kilometers ver weg van onze
uitkijkpost op de Brekeld.
Verder zag je alleen maar bos en natuurlijk het tichelwoark met zijn
droogloodsen.
De
droogloodsen die tot de eind zestiger jaren dienst hadden gedaan,
werden toen voor een tijdje
ons domein.
De hanenbalken werden
ons tijdelijke onderkomen.
Van de rietmatten, die voorheen de stenen beschermden tegen
de gure winden en de slagregens, maakten wij daarboven onze hutten.
Met de jongens uit de klas en onze neefjes waren we uren bezig om
ons onderkomen zo mooi mogelijk te maken.
Soms ' leenden ' we van de stenenvervoerder wat zijschotten van de
oplegger, om de vloer zo stevig mogelijk te maken.
We waren de koning te rijk.
Hier rookten we ons eerste pakje Runners in één woensdagmiddag leeg.
Dat we aan het eind van de middag zó beroerd waren dat we al ons
middageten weer uitbraakten namen we op de koop toe.
Lekker stoer toch?
Maar na een tijd moesten de droogloodsen het veld ruimen.
Nieuwe gebouwen kwamen erbij en ook wij moesten noodgedwongen
verkassen.
Weg hutten, weg gezelligheid.
En zo werd onder de majestueuze spar overlegd wat nu ons
onderkomen moest worden.
Na enig beraad kwamen we op het idee om een ondergrondse hut te
bouwen.
Veilig, onder onze uitkijkpost moest hij komen. Ver van de bewoonde
wereld, waar geen boeven en andere vreemde snuiters ons konden zien.
Er werden enkele batsen geleend van het tichelwoark en na verloop
van tijd hadden we de omtrek van onze ondergrondse gang uitgezet.
Het moest niet zo'n klein ding worden. Nee, minstens eentje van twee
meter breed en zo'n drie en een halve meter lang.
We moesten er allemaal in kunnen.
Zwoegend en zwetend deden we met z'n allen ons werk.
Was je niet aan het graven, dan zocht je boomstammen om het dak van
te maken. En natuurlijk kon de vloer van onze hut in de droogloods
nu dienst gaan doen als dak van onze ondergrondse woning.
Ja, het moest een woning worden. Met matten op de vloer en een
trapje dat ons van bovengronds naar meer dan een meter onder de grond leidde.
Van instortingsgevaar hadden we nog nooit gehoord.
Na twee woensdagmiddagen hard werken was de hut klaar.
Met één man in de majestueuze spar op de uitkijk voelden we ons
veilig. Maar toch spraken we met gedempte stemmen, want er mochten
eens kapers op de kust komen. En je weet maar nooit. Misschien namen
ze ons wel gevangen of werden we levend begraven.
Brrrrrr, we moesten er niet aan denken. Vlug, naar boven. Naar de
frisse lucht. Want onderin dat gat stonk het naar verrot hout en
half vergane paddenstoelen.
Er moest een beluchtinggat komen. Eentje met een soort schoorsteen
erop. Voor de frisse lucht. Want stel je voor dat een onverlaat de
toegang eens dichtmaakte, met ons nog in de hut. En als we er dan
een tijdje met z'n allen in hadden gezeten kregen we geen lucht meer
en.........
Niet aan denken jongens. Er kan ons niets gebeuren. De man op wacht,
hoog in de majestueuze spar, zou ons op tijd waarschuwen als er
gevaar dreigde.
En zo brachten we heel wat vrije middagen door in onze ondergronds
hut.
Nu is hij er niet meer. De grote majestueuze spar is geveld door de
slopershamer. Of hebben de najaarsstormen de boom al eerder geveld?
Hij ligt daar. Eenzaam en in stukken gezaagd.
De hut is er nog. Tenminste.......,wat er nog van over is.
Het gat dat eens een diepte had van meer dan een meter is niet meer zo diep.
De gevallen bladeren en takken van de laatste veertig jaren hebben
onze hut willen doen verdwijnen.

Maar het is hun niet gelukt. Een gapend gat van twee bij drie en een
half kijkt me uitnodigend aan.
"Kom
erin.
Als je wat bladeren weghaalt zie je het trapje weer
tevoorschijn komen" lijkt hij te zeggen.
Zachtjes ritselen wat
takken. Ook zij schijnen te zeggen dat ik weer het gat in moet.
Voorzichtig veeg ik de dorre bladeren en naalden weg met een tak.
En daar ligt hij. De veertig jaar oude trap. Gemaakt van
boomstammen. Voorzichtig laat ik me afdalen naar de wat eens onze
onderaardse woning was.
Emoties komen los. Tranen schieten in mijn ogen. Even maar, maar
toch.....Veertig
jaar geleden.
Veertig jaar. Waar blijft de tijd?

Als ik vanuit mijn
'oude woning' richting ons tichelwoark kijk zie ik achter de
afrastering alleen nog maar een lege kale plek.
In de verte zijn mannen bezig om boompjes te planten.

Steenfabriek de Brekeld is al omgedoopt tot Landgoed de Brekeld.
Duizenden boompjes liggen in een voorlopig pootgat te wachten op een
definitieve plek.
Helaas kan onze eens zo majestueuze spar dit niet meer meemaken.
Wat had hij mooi de wacht kunnen houden over de duizenden boompjes
die
eens een bos zullen vormen.
Wie weet of onze kinds kinderen in dit bos dan ook ondergrondse
hutten gaan
bouwen. En wie weet, staat er over veertig jaren ook wel weer zo'n
prachtige majestueuze spar.
Als ik even later weer terug loop zie ik hem weer liggen. In stukken
gezaagd, met vlak naast hem een stuk steen. Misschien wel een stukje
van één van de muren van de veldoven waarmee
meer dan een eeuw geleden vele tichelders uit Rijssen hun boterham
verdienden.
Dit alles doet me denken aan het prachtige lied;
UREN, DAGEN, MAANDEN, JAREN
|
1
Uren, dagen, maanden,
jaren
vliegen als een schaduw heen
Ach, wij vinden waar wij staren
niets bestendigs hier beneên!
Op den weg, dien wij betreden
staat geen voetstap, die beklijft,
al het heden wordt verleden
schoon ’t ons toegerekend blijft.
|
2
Voorgeslachten kwijnden henen,
en wij bloeien op hun graf
Ras zal ’t nakroost hen beweenen:
’t menschdom valt als blaad’ren af.
’t Stof, door eeuwen saâmgelezen,
houdt hetzelfde graf bewaard.
Buiten U, o eeuwig Wezen,
ach, wat was de mensch op aard!
|
|
3
Dat de tijd hier ’t al verover’
aan geen tijdperk hangt mijn lot.
Gij, Gij blijft mij altijd over,
Gij blijft eindeloos mijn God.
Welk een ramp mij hier ook nader’
wat verander’, wat verkeer’,
‘k vind bij U, getrouwe Vader,
al mijn troost en rijkdom weer.
|
4
Vader, onder al mijn nooden
Vader, onder heil en straf,
Vader, ook in ’t rijk der dooden,
Vader, ook in ’t zwijgend graf
Waar ik ooit verand’ring schouwe,
Gij, o God, houdt eeuwig stand.
Ook mijn stof rust op Uw trouwe,
sluimert in Uw vaderhand!
|
|
5
Snelt dan, jaren, snelt vrij henen
met uw blijdschap en verdriet.
Welk een ramp ik moog’ beweenen,
God, mijn God verandert niet!
Blijft mij alles hier begeven,
voortgeleid door Zijne hand,
Schouw ik uit dit nietig leven
in mijn eeuwig vaderland.
|
Van: Rhijnvis
Feith, 1753-1824. |
|
Zo schreef neef Paul van oom Gerrit Jan het volgende berichtje:
Onvergetelijk zijn bij mij de herinneringen aan de vakanties op
de HOCH.
Rijssen liep leeg, maar our holiday was "De HOCH". Daar
vermaakten we ons alle dagen prima. Met de kiepkarretjes van Oom
Garrat werden we gedropt en .... dan ging het gebeuren.
Hutten bouwen, schieten met pijl en boog, crossen met de solex
op diesel, schaften bij het werkvolk in de keet en natuurlijk
allerlei kattenkwaad.
Zo schoot Rinus eens op hond Fikky en ketste de pijl richting
het oor van Gerrit van tante Trui. Krijsen en tranen, bloed en
schrik, maar al snel was iedereen weer elkaars dikste vriend.
Een heel mooi citaat uit een ander berichtje van Paul is het
volgende; ’Je vader reed alsof zijn leven ervan afhing’.
Toen ik mijn vader hiernaar vroeg waarom hij altijd zo hard
reed antwoordde hij: “Ach mien joonge, det was allemoal jach.
Ik wilde zoveel mogelijk leem op het tichelwoark zien te
krijgen. Ik kan me nog herinneren dat ik een keer vlak voor vijf
uur nog naar de Hoch ben gereden om weer wat volle karren op te
halen. Er stonden er maar vijf die vol waren, maar ik heb deze
toen wel aangekoppeld, dat was de winst van die dag”.
Maar niet alleen de ritjes met het treintje blijven in onze
herinnering.
Ook maakten we hutten van rietmatten hoog in de ‘haanbalkens’
van de droogloodsen.
Jan Willem van oom Hendrik schreef: Heb mijn zoontjes verteld
wat zich daar allemaal af-“speelde” . Toen ik die droogloodsen
zag (zie website: www.tichelwoark.nl red.) kon ik de
vogelnestjes in het voorjaar en de hutten van stromatten in de
winter er zo bij denken.
Ja, en zo kunnen we nog heel wat bladzijden vullen met
herinneringen over de zestiger jaren. De jaren dat bijna al onze
neefjes uren, dagen, maanden, jaren te vinden waren op
het Duuskers tichelwoark. Het zijn mooie herinneringen! |
|
Wordt vervolgd ??
|